Het oudst bekende document over Wittem, daterend uit 1125, bevindt zich in de archieven van Luik. Blijkens de oorkonde droeg weduwe Guda, echtgenote van Thiebald, Heer van 's-Gravenvoeren en Valkenburg, de burcht Witham over aan de St. Jakobsabdij in Luik. Deze akte toont al de vroege banden aan met het huidige België, waaraan de gemeente Wittem grenst.
Het gelijknamige kasteel ging een eeuw later in eigendom over naar de ridders van Julémont en via hen aan het adellijke geslacht van de machtige heren van Scavendriesch. Zij en de leden van de voorname familie van Jan van Cosselaer, die hen in 1344 opvolgden, waren voortdurend uit op gebiedsuitbreidingen. In 1289 namen zij Epen in bezit, in 1352 Wahlwiller en Mechelen en in 1365 Nijswiller.
Eys werd leenroerig aan Wittem, dat wil zeggen dat de heer van Eys zijn bevoegdheden ontleende aan de boven hem geplaatste heer van Wittem. Dat lukte pas na een verbeten strijd tussen de elkaar vijandig gezinde edelen: de Mulrepas, aan wie Eys toebehoorde en de Scavendriesch, nauw gelieerd aan Wittem.
Het door annexaties onstane vorstendommetje kwam door verkoop in het bezit van Diederick van Pallandt. Een van zijn nazaten, Floris II, bleef kinderloos. Bij zijn dood in 1639 kwamen de Wittemse bezittingen in handen van de graven van Waldeck Pyrmont. Een van hen, George Frederick van Waldeck Pyrmont verwierf de titel van Rijksvorst, die hij dankte aan keizer Leopold I.
Dit eerbewijs heeft de graven van Waldeck Pyrmont mogelijk parten gespeeld bij het doen van al te vorstelijke uitgaven. Hierdoor liepen de schulden zo hoog op, dat zij zich genoodzaakt zagen Wittem te verkopen aan rijksgraaf Ferdinand van Plettenberg (1722). Zijn bezittingen werden tien jaar later tot Rijksgraafschap verheven. Dit hield stand tot de Franse Revolutie. Bij het uitbreken daarvan was van de eens zo imponerende vesting weinig meer over dan een ruïne.
De Franse overheersers maakten een eind aan het graafschap Wittem en verkochten de grafelijke bezittingen aan de pachter van de naast het kasteel gelegen boerderij Simon Merckelbach. Van de restanten van de burcht liet hij een bewoonbaar kasteel maken in neogotische stijl, waarover historici niet unaniem enthousiast zijn. Niettemin mag het de familie Merckelbach tot eer strekken, dat zij het kasteel voor de ondergang heeft behoed.
Gedurende de Middeleeuwen was kasteel Wittem een ontzagwekkende waterburcht, voorzien van zeven vestingtorens en omgeven met brede grachten. Slechts twee bruggen gaven toegang tot de residentie van de heren van Wittem. Als er vijandelijke aanvallen te duchten waren konden die bruggen worden opgehaald. In die toestand was deze burcht voor vijanden een ongenaakbare vesting. Bevriende vorsten vonden er evenwel een gastvrij onderkomen. Belangrijke heersers, van wie de Wittemse ridders bondgenoten waren, hebben dit menigmaal ervaren. Keizer Karel V was er in 1520 te gast en vrijheidsstrijder Willem van Oranje verbleef er geruime tijd, toen hij in 1568 vanuit het strategisch goed gesitueerde Wittem de Spanjaarden bevocht.
Door herhaaldelijk oorlogsgeweld is veel van de vroegere burcht verloren gegaan. Nog slechts één toren van het huidige kasteel herinnert aan het woelige verleden.
Tot het behoud van kasteel Wittem hebben ook de opvolgers van de familie Merckelbach, de Valkenburgse hoteliers J.F. Rooding en P. Ritzen, een waardevolle bijdrage geleverd. In 1958 kreeg het kasteel de zinvolle bestemming van hotel-restaurant. Tien jaar lang geleid door eigenaar J.F. Rooding en vanaf 1968 door de familie Ritzen. Vanaf 2009 is de huidige eigenaar dhr L. Crombach.

In 1732 liet de Westfaalse graaf Ferdinand van Plettenberg naast zijn kasteel Wittem een slotkapel met een klooster bouwen. De zielzorg vertrouwde hij toe aan paters kapucijnen uit Keulen. Zestig jaar later werden ze verdreven door de Franse revolutie. Het klooster raakte verwaarloosd. In 1836 werd het klooster weer in gebruik genomen door de in Napels gestichte congregatie, de redemptoristen. De naam komt van het latijnse 'Redemptor' = 'Verlosser'. Naast Johannes Nepomuc, de patroonheilige die de graaf aan zijn slotkapel had gegeven, werd Sint Alfonsus (1696-1787), stichter van de redemptoristen, medepatroon van de kerk.
Klooster Wittem was tot de zestiger jaren van de vorige eeuw vooral het opleidingshuis van de redemptoristen. Omdat het studentenaantal groeide, besloot men in 1895 het oude kapucijnerklooster af te breken en een groot nieuw klooster te bouwen. Zo kreeg het klooster de huidige aanblik. et barokke interieur van de oude kerk is het bezichtigen waard. Boven het altaar staat de beeltenis van Sint Alfonsus, en opvallend is ook het praalgraf van Willem van Rossum (1854-1932), een rector van het klooster die in 1911 kardinaal in Rome werd. De gewelfschilderingen uit 1939 zijn van de bekende Limburgse schilder Charles Eijk. Wittem heeft vooral landelijke bekendheid vanwege Sint Gerardus Majella, een van de eerste redemptoristen, die van 1726 tot 1755 leefde in het bergland rond Napels in Zuid-ltalië. |
![]() |
Deze kloosterbroeder ontwikkelde zich tot een raadsman voor vele mensen, die hij - vaak op wonderlijke wijze - hulp en uitkomst bood. Vanwege zijn zwakke gezondheid werd hij slechts 29 jaar oud. Zijn heiligverklaring in 1904 werd in Wittem feestelijk gevierd en de 'paters van Wittem' preekten in het hele land over deze Zuid-ltaliaanse medebroeder. Zo werd Gerardus Majella ook onder de Nederlandse katholieken populair. Het aantal pelgrims naar Wittem groeide, de kerk werd te klein en er kwam een houten noodkapel, die in 1961 vervangen werd door de huidige Gerarduskapel. In 1995 werd daar een devotie-ruimte aan toegevoegd, waarin het Gerardusbeeld werd geplaatst. Jaarlijks bezoeken zo'n 200.000 mensen dit bedevaartoord. Vroeger kwam men vooral groepsgewijze; nu vooral individueel. Op drukke zomerse zondagen en rond het Gerardusfeest (16 oktober) zijn er extra vieringen, soms met een bidtocht door de kloostertuin. De kloosterkerk: Deze fraaie kerk is door Ferdinand Adolf, graaf van Plettenberg en Wittem, als slotkapel en streekkerk met erbij behorend klooster gesticht. De eerste paters waren Duitse Capucijnen. Sinds 1836 bedienen de Redemptoristen de kerk. Het geheel van het bouwwerk bestaat uit drie kruiselings overwelfde geledingen. De overgang van het grotere middenstuk naar de versmalling van het priesterkoor wordt gevormd door twee halfronde nissen, die beneden aan zijaltaren plaats bieden en boven elkaar ontmoeten in een sierlijke, halfronde triomfboog. De altaren: |
|
![]() |
De sierlijkheid van het lijnenspel in de gewelven wordt verhoogd door de barokke pracht van de drie oorspronkelijke altaren, die met hun fraaie zuilen imponeren. Elk van deze altaren draagt als bekroning, hoog boven de wolken en omgeven door jubelende engelen, een van de drie goddelijke Personen; de Vader, het lam Gods en de Heilige Geest. Op het hoogaltaar prijkte eens een schilderij van de eerste kerkpatroon, de Heilige Johannes Nepomucenus. De paters Redemptoristen plaatsten er echter in 1845 het beeld van hun stichter en thans medekerkpatroon Sint Alfonsus, als gemijterde bisschop God aanschouwend in de hemelse heerlijkheid.
|
||
De vergulde groep beneden verzinnebeeldt de drie goddelijke deugden: de pelikaan, symbool van de liefde geflankeerd door twee vrouwenfiguren: de een, met kelk, hostie en kruis, stelt het geloof voor; de ander, met het anker, de hoop. Op het linker zijaltaar zien we Maria. Rank rijst zij op met de maan onder haar voeten en haar hoofd gekroond met een krans van twaalf sterren. Met haar rechtervoet vertrapt zij de kop van de helse slang, de Satan. Door haar ootmoed heeft zij de Satan overwonnen. In diepe ingetogenheid gaat zij helemaal op in het geheim dat zich in haar voltrekt. Tegen de bevalligheid van Maria steekt de mannelijke ernst van Sint Jozef, op het rechter zijaltaar, enigszins af. Maar de ernst van de zorgvolle vader wordt getemperd door de speelsheid van het goddelijk Kind dat hij ons toont. Aankleding: Ons treft de zorg die aan de aankleding van de kerk is besteed: de vloer van het priesterkoor, de communiebank met het hekwerk, de fraaie preekstoel met het kruisbeeld. Wij wijzen U ook nog op de kruisweg die dateert uit het midden van de 18e eeuw. De naam van de schilder is niet bekend, maar het geheel is zeker niet onverdienstelijk. De voorstelling is levendig en dramatisch, de lichtwerking soms verrassend, de achtergrond steeds vol fantasie. De schildering: Maar wat het meest treft is ongetwijfeld de schildering, hier in 1939 door de geniale Limburgse meester Charles Eyck aangebracht. Zijn voornaamste verdienste is wel dat hij ons weer oog heeft gegeven voor de visie van de bouwmeester. De leidende gedachte van de schildering is de verkondiging van God's woord in alle tijden en aan alle volken. In de triomfboog, hoofdmoment van heel de schildering, zetelt het Mensgeworden Woord, Christus de Verlosser. Van Hem hebben de profeten gesproken en de evangelisten getuigd. Hij wordt altijd en overal verkondigd. Hij wordt vergezeld door zijn Moeder Maria en zijn voorloper Johannes de Doper. Kardinaal van Rossum: Het graf van Kardinaal Willem Marinus van Rossum kan met bezoeken. Hij werd in 1854 als eenvoudige kuiperszoon te Zwolle geboren en na de vroege dood van zijn ouders in een weeshuis opgevoed. Redemptorist geworden, werd hij te Wittem in 1879 tot priester gewijd. Hier was hij ook professor en rector van het klooster. Hij heeft een groot aandeel gehad in de bouw van het huidige klooster (1892-1895). Naar Rome geroepen, werd hij in 1911 kardinaal, de eerste Noord Nederlandse sinds de Hervorming! In 1918 werd hij met de leiding van het missiewerk over heel de wereld belast. Zijn beleid was gericht op het zelfstandig worden van de jonge kerken met eigen priesters en bisschoppen. Hij kwam graag naar het hem dierbare Wittem. Zijn laatste bezoek was op 28 augustus 1932. Uitgeput en doodziek keerde hij terug van een reis naar Denemarken. Op 30 augustus overleed hij. Zijn grafmonument, een geschenk van katholiek Nederland, werd door de Italiaanse beeldhouwer Enrico Ouattrini uit Cararisch marmer vervaardigd en in 1939 ingewijd. Het beeldt treffend de persoon en het werk van de kardinaal uit.
|
|||
De kapellen: Een korte gang, waarin links en rechts twee deuren uit gedreven brons, leidt U naar de z.g. RONDE KAPEL, een devotiekapel ter ere van de Moeder van Altijddurende Bijstand. Het gewelf van de gang, evenals het koepeltje van de kapel, zijn met cassettes beschilderd. |
![]() |
||
| Omdat hier geen vensters zijn is het een intieme ruimte die uitnodigt om er te bidden. Achter het altaar ziet u het beeld van de Moeder van Smarten. Vandaar de naam: de "Smartenkapel". Vanuit beide zijkapellen komt u in een heel andere ruimte, de Sint Gerarduskapel, speciaal bestemd voor de ontvangst van de pelgrims. Gerardus was lekenbroeder-redemptorist. Hij leefde van 1726 tot 1755 in Zuid-Italië in dezelfde tijd als de stichter van de Redomptoristen, de Heilige Alfonsus. | |||
![]() |
Hij was een eenvoudig mens, een echte bidder maar ook met aandacht en betrokkenheid bij mensen in nood, een wonderdoener. Hij werd in 1904 door Paus Pius X heilig verklaard. Sinds die tijd wordt hij hier bijzonder vereerd. Jaarlijks komen wel tweehonderdduizend pelgrims uit geheel Nederland naar Wittem voor Sint Gerardus. De kapel werd in 1962 gebouwd door architect J. Petit uit Heerlen. Sinds 1994 heeft de heilige zijn eigen ruimte, rechtstreeks van buiten bereikbaar en in open verbinding met de pelgrimskapel. |
|
| Hij staat er, om zo te zeggen, ook letterlijk achter het gebed van zijn biddend volk. In de absis boven het altaar van de Sint Gerarduskapel ziet U een prachtig eiken kruisbeeld, dat vanaf 1834 als wegkruis tegenover de kerk heeft gestaan. Het is een herinnering aan de allereerste Missie dat jaar door Redemptoristen in Nederland gepreekt te Gulpen en Wittem. Bij de reconstructie van de weg en de aanleg van het parkeerterrein in 1967 moest het echter verdwijnen. Het heeft nu een definitieve plaats gevonden in deze kapel. | ||
![]() |
Bij de restauratie kwam, na het verwijderen van verschillende verflagen, dit prachtig corpus van blank eiken te voorschijn dat volgens deskundigen omstreeks 1530 vervaardigd moet zijn. De herkomst is helaas nog onbekend... De stijlvolle glaswand is van de kunstenaar Prof. J. Stassen en uitgevoerd door het atelier van G. Felix. Verder ziet u op een zijaltaar een plaquette in brons van Petrus Donders. Deze werd in 1809 te Tilburg uit arme ouders geboren. Priester geworden, vertrok hij als missionaris naar Suriname. Na de komst van de redomptoristen aldaar werd hij redemptorist. |
|
| Gedurende 27 jaar leefde en werkte hij onder de melaatsen in de melaatsenkolonie Batavia, waar hij in 1887 stierf. in 1982 werd deze 'Apostel van de melaatsen' door paus Johannes Paulus II zalig verklaard. De plaquette is een kunstwerk van pater G. Mathot, redemptorist. Bij de verbindingsdeur naar de Ronde Kapel is het kapelletje van de eerste kerkpatroon, de Heilige Johannes Nepomucenus. Zijn beeld sierde eens de monumentale barokgevel van de kerk die in 1894 helaas werd afgebroken. | ||
![]() |
|
| Er gebeurt véél in klooster Wittem. Al deze activiteiten zijn mogelijk dankzij het feit dat de kloostergemeenschap naast de bewoners ook bestaat uit meer dan twintig personeelsleden en een honderdtal vrijwilligers. Klik hier voor een directe link naar de internetpagina van de Redemptoristen die o.a. dit klooster bewonen. |